Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met een terugvordering van €18.151,07 wegens teveel betaalde bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft vanaf augustus 2007 tot juni 2011 maandelijks bedragen ingehouden op de bijstand ter aflossing van deze vordering. Na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in juli 2011 eindigde de bijstand en bleef een openstaande schuld bestaan.
Appellant verzocht in juli 2012 om kwijtschelding van de resterende schuld van €14.704,35. Dit verzoek werd door het college afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6.3 van de Beleidsregels inkomensvoorziening WWB. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad overweegt dat appellant niet gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, noch het achterstallige bedrag binnen de verlengde termijn van 65 maanden uit eigen beweging heeft betaald. Ook het argument dat verhuizing buiten Amsterdam het aflossen bemoeilijkte, wordt verworpen omdat de beëindiging van de bijstand samenhing met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en appellant zelf voor aflossing kon zorgen.
De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen en bevestigt daarom de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding.
Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand wordt afgewezen omdat niet aan de voorwaarden is voldaan.