Uitspraak
28 februari 2014, 13/1036 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft zich sinds 2003 arbeidsongeschikt gemeld en ontvangt een WAO-uitkering. In 2013 heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45% per 11 februari 2013. Appellant stelde dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot heropening van het onderzoek niet honoreerde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De verzekeringsartsen van het UWV hebben op overtuigende wijze gemotiveerd waarom er geen aanleiding was tot het aannemen van zwaardere beperkingen per datum in geding. De latere verhoging van de WAO-uitkering per 29 januari 2014 betreft een verergering van klachten na de datum in kwestie.
De Raad oordeelt dat het onderzoek niet heropend hoefde te worden en dat appellant voldoende gelegenheid had externe deskundigen in te schakelen. De arbeidsdeskundige rapporten tonen aan dat appellant met zijn beperkingen de voorbeeldfuncties kan vervullen. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant wegens de toelichting in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.