Uitspraak
.Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig zelfstandige met dalende inkomsten sinds 2008, leefde vanaf november 2011 van zijn spaargeld. Ondanks dat hij wist dat hij mogelijk bijstand nodig zou hebben, belegde hij in december 2011 een bedrag van € 20.232,- in een koopsompolis. Het college kende daarom bijstand toe als geldlening, omdat appellant onvoldoende verantwoordelijkheid toonde voor zijn levensonderhoud.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de koopsompolis buiten beschouwing moest blijven bij de vermogensvaststelling en dat rekening gehouden moest worden met belastingheffing over het belegde bedrag. De Raad verwierp deze gronden, stellende dat het vermogen op 1 november 2011 leidend is en toekomstige belastingverplichtingen niet als concrete schuld gelden.
De Raad concludeerde dat appellant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond door te snel zijn vermogen aan te wenden en bevestigde het besluit om bijstand als geldlening toe te kennen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van bijstand in de vorm van een geldlening vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bij het beleggen van vermogen.