ECLI:NL:CRVB:2015:3206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslag ondanks schuldsaneringsregeling
Appellante ontvangt sinds 1992 een Wajong-uitkering en sinds 2006 een toeslag op grond van de Toeslagenwet vanwege haar gezinssituatie. Na een handhavingsonderzoek bleek dat zij vanaf 1 april 2011 niet langer een minderjarig kind in huis had, waardoor de toeslag per die datum moest worden herzien. Het UWV besloot het teveel betaalde bedrag van €5.697,30 terug te vorderen over de periode 1 april 2011 tot en met 7 december 2012.
Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat zij hierdoor onevenredig wordt getroffen omdat zij een schuldsaneringsregeling (WSNP) heeft lopen. Het deel van de terugvordering dat buiten de schuldsanering valt, zou een nieuwe schuld vormen die haar regeling kan schaden. Het UWV wees het bezwaar af, maar stelde dat appellante het bedrag buiten de looptijd van de schuldsanering niet hoeft te betalen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder dat zij de gemeente had geïnformeerd over haar verhuizing en dat het UWV de adreswijziging had kunnen achterhalen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het terugvorderingsbesluit onherroepelijk is en dat de gevolgen van de terugvordering niet onaanvaardbaar zijn.
De Raad wees ook het beroep op artikel 21 van Pro de Toeslagenwet af, omdat appellante al toegelaten was tot de WSNP ten tijde van het terugvorderingsbesluit. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen dringende reden bestaat om af te zien van de terugvordering van de toeslag.