Uitspraak
14 mei 2014, 13/2901 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich op 20 juni 2011 ziek. Het UWV stelde bij besluit van 23 april 2013 vast dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is de voorbeeldfuncties te vervullen waarop de schatting is gebaseerd. Tevens verzocht hij om een onafhankelijk medisch deskundige. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen van het UWV hun bevindingen overtuigend en inzichtelijk hebben gemotiveerd, waarbij rekening is gehouden met de beperkingen van appellant, waaronder het syndroom van Sjögren.
De medische rapporten tonen aan dat appellant beperkt is voor zwaar fysiek werk, maar wel in staat is tot licht werk zonder urenbeperking. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsartsen te betwijfelen of een onafhankelijk deskundige te benoemen. De arbeidskundige rapporten bevestigen dat appellant met zijn beperkingen de functies kan vervullen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Vergoeding van wettelijke rente en proceskosten wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van 67% arbeidsongeschiktheid met recht op loongerelateerde WGA-uitkering wordt bevestigd.