ECLI:NL:CRVB:2015:3369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 oktober 2015
Publicatiedatum
6 oktober 2015
Zaaknummer
14/2745 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, eerste lid, WWB
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs feitelijk woonverblijf dakloze

Appellant, die zich als dakloze presenteerde, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende informatie verstrekte over zijn woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt waar hij feitelijk verbleef gedurende de relevante periode van 21 maart tot 12 juni 2013. Appellant gaf tegenstrijdige verklaringen en weigerde gebruik te maken van de nachtopvang, waardoor controle onmogelijk was.

De Raad benadrukte dat ook daklozen controleerbare gegevens moeten aanleveren over hun verblijfplaats om recht op bijstand te kunnen vaststellen. Door niet aan deze informatieplicht te voldoen, schond appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, eerste lid, WWB. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van feitelijk verblijf.

Uitspraak

14/2745 WWB
Datum uitspraak: 6 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2014, 13/4952 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 12 februari 2013 is appellant uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen).
1.2.
Op 21 maart 2013 heeft appellant bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd.
1.3.
Op 18 april 2013 is appellant ingeschreven in de GBA op het registratieadres van de daklozenregeling Utrecht, Sint Jacobsstraat 300 BD te Utrecht.
1.4.
Op 2 mei 2013 heeft een gesprek tussen appellant en een rapporteur van het college plaatsgevonden. Appellant heeft verklaard dat hij verblijft bij een vriendin op [het adres] te [woonplaats]. Hij slaapt er alleen en gaat dan weer weg. Hij slaapt op de bank. Hij kan niet in de nachtopvang, omdat hij is misbruikt. Hij overlegt een brief hierover van een behandelaar bij Altrecht. De rapporteur heeft hierover navraag gedaan bij Altrecht en in overleg wordt besloten niet langer een ontheffing voor verblijf in de nachtopvang te geven. Appellant geeft aan dat hij zich bij de nachtopvang zal melden. Na dit gesprek heeft de rapporteur wekelijks telefonisch contact met appellant. Uit navraag van de rapporteur bij de nachtopvang blijkt dat appellant hier niet heeft overnacht van 5 juni 2013 tot en met 12 juni 2013. Het voorgaande is vastgelegd in een rapportage ‘Aanvraag WWB levensonderhoud’ van 12 juni 2013.
1.5.
Bij besluit van 12 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft niet verbleven in de nachtopvang voor daklozen en heeft geen controleerbare informatie verstrekt over de plaatsen waar hij doorgaans verblijft of overnacht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De te beoordelen periode loopt van 21 maart 2013 tot 12 juni 2013.
4.2.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Hierbij vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Ook van iemand die stelt dakloos te zijn, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats, juist ook om vast te stellen dat hij dakloos is en niet een vast hoofdverblijf heeft.
4.3.
De rechtbank heeft juist geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat appellant voldoende inlichtingen heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats(en) gedurende de te beoordelen periode. Appellant heeft niet eenduidig verklaard over waar hij verblijft, zodat dit niet controleerbaar is voor het college. Tijdens de telefonische contacten met de rapporteur van het college verklaart appellant dat hij bij een vriendin verblijft en ook wel eens in de bosjes bij de Zonstraat of de Minkade. Wanneer wordt gevraagd hoe hij in de bosjes heeft overnacht gelet op de regen en kou van dat moment, verklaart appellant dat hij niet heeft geslapen. Als wordt doorgevraagd of hij dan dagenlang niet heeft geslapen antwoordt hij ‘ja’ of ‘hoezo’. Daarnaast weigert appellant om in de nachtopvang te overnachten, zodat ook op deze wijze niet kan worden vastgesteld waar hij verblijft.
4.4.
Nu appellant onvoldoende informatie heeft verschaft over zijn verblijfplaats was het voor het college niet mogelijk om te controleren waar hij feitelijk verbleef. Door geen juiste of volledige opgave te doen van zijn feitelijke verblijfplaats heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Als gevolg daarvan heeft het college het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag om bijstand als dakloze terecht is afgewezen.
4.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) C.M. Fleuren

HD