ECLI:NL:CRVB:2015:3394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekening boven vermogensgrens
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf november 2011. Later bleek uit onderzoek dat appellant naast de bekende bankrekening ook beschikte over een niet-gemelde bankrekening met een positief saldo van €8.640 per 31 december 2010, waardoor het totale vermogen bij aanvang van de bijstand €14.250,22 bedroeg. Dit overschreed de vrij te laten vermogensgrens van €5.555 voor een alleenstaande, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €1.289,52.
Appellant voerde aan dat rekening had moeten worden gehouden met zijn studieschuld bij DUO, maar volgens vaste rechtspraak wordt een studieschuld niet automatisch als schuld erkend omdat de aflossingsverplichting afhankelijk is van draagkracht. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij de schuld al moest aflossen in de betreffende periode. Daarnaast stelde appellant dat het onbillijk was terugvordering toe te passen omdat het geld op de verzwegen rekening bedoeld was voor aflossing van de studieschuld en hij ook nog een ander bedrag moest terugbetalen.
De Raad oordeelde dat het college conform het beleid handelde en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van onbillijkheden van zwaarwegende aard of bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.