ECLI:NL:CRVB:2015:3416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning aanvullende bijstand zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontving vanaf 13 mei 2013 een WW-uitkering en vroeg op 23 juni 2013 aanvullende bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf de datum van zijn WW-uitkering. Het college wees het verzoek om terugwerkende kracht af, maar kende bijstand toe vanaf de datum van de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant zich niet eerder had gemeld en geen bijzondere omstandigheden waren die terugwerkende kracht rechtvaardigden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij moest wachten op de beslissing op zijn WW-aanvraag voordat hij bijstand kon aanvragen. De Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere gronden en dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond.
De Raad benadrukte dat het college conform het buitenwettelijk begunstigend beleid had gehandeld, waarbij terugwerkende kracht alleen wordt toegekend indien binnen een week na ontvangst van het WW-besluit een aanvraag wordt ingediend. Appellant had dit niet gedaan en droeg het risico van zijn late aanvraag zelf.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor terugwerkende kracht bij aanvullende bijstand afgewezen.