Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 31 maart 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstand. Hierbij werden op 25 januari en 6 februari 2012 huisbezoeken geprobeerd, maar appellant was niet thuis en reageerde niet op het aanbellen. Vervolgens werd appellant schriftelijk opgeroepen om op 7 en 9 februari 2012 te verschijnen bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) met relevante bankafschriften, maar hij verscheen niet en gaf geen bericht van verhindering.
Het college besloot op 7 februari 2012 het recht op bijstand op te schorten en op 16 februari 2012 de bijstand in te trekken met ingang van 7 februari 2012. Bezwaar van appellant tegen deze besluiten werd op 4 mei 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten eveneens ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het college bevoegd was tot opschorting en intrekking, dat de maximale opschortingsduur niet was overschreden en dat appellant geen geldige reden had voor het niet verschijnen.
In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gronden aangevoerd en de Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De intrekking van de bijstand wordt bevestigd. Er wordt geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand aan appellant wordt bevestigd wegens het niet verschijnen op oproepen zonder bericht van verhindering.