ECLI:NL:CRVB:2015:3489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde stukken. Na een nieuwe aanvraag waarbij appellant aangaf inwonend te zijn bij een vrouw (H), stelde het college vast dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag af. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat geen gezamenlijke huishouding bestond, maar de Raad verwierp deze gronden.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende onderbouwde dat hij op het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen en dat objectieve criteria voldeden aan het bestaan van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg. De motieven en aard van de relatie zijn niet relevant. De aanvraag werd terecht afgewezen en het college mocht het voorschot terugvorderen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd afgewezen wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.