ECLI:NL:CRVB:2015:3491

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2015
Publicatiedatum
13 oktober 2015
Zaaknummer
14/3507 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift te laat ingediend bij intrekking bijstandsuitkering; termijnoverschrijding niet verschoonbaar

Appellante ontving sinds eind 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok haar bijstand per 1 juli 2013 in omdat zij niet binnen de gestelde termijn gevraagde stukken had aangeleverd. Het bezwaarschrift tegen deze intrekking werd te laat ingediend en door het college niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten, waarvan het college op de hoogte was, haar belemmerden om post te openen en tijdig bezwaar te maken. Haar psychologe had contact met de gemeente, maar appellante werd niet geïnformeerd over de bezwaarmogelijkheid.

De Raad oordeelde dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken bedraagt en dat het bezwaarschrift na deze termijn was ingediend. De psychologe, die de belangen van appellante behartigde en de post doornam, had kennis kunnen nemen van het besluit en tijdig bezwaar kunnen maken. Het handelen van de psychologe wordt appellante toegerekend, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, wat hier niet het geval is.

Daarom is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en wordt het hoger beroep afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

14.3507 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
10 juni 2014, 13/9453 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 29 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande (WWB).
1.2.
Bij besluit van 14 augustus 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2013 ingetrokken op de grond dat zij niet binnen de in het opschortingsbesluit van 31 juli 2013 gegeven termijn de gevraagde stukken heeft aangeleverd.
1.3.
Bij besluit van 14 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen aanleiding is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Door haar psychische klachten, waarvan het college op de hoogte was, had zij moeite met het openen van post. Haar psychologe heeft na
8 september 2013 telefonisch contact opgenomen met een medewerker van de afdeling financiële zaken van de gemeente die meedeelde dat “men er mee bezig was en dat appellante moest afwachten”. Zij is echter niet geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken. Dit is pas per e-mail van 30 september 2013 gebeurd, waarna de psychologe appellante heeft geadviseerd juridische hulp in te schakelen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift
niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van 10 oktober 2013 na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is ingediend.
4.3.
In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest als bedoeld in
artikel 6:11 van Pro de Awb. Ten tijde van het besluit van 14 augustus 2013 was appellante onder behandeling van een psychologe. Deze psychologe behartigde haar belangen, waarbij zij onder meer samen met appellante de post van appellante - ook met betrekking tot haar financiële situatie - doornam. Dat appellante haar post niet zelf opende, is dan ook niet van belang. Vaststaat dat de psychologe kort voor en na haar vakantie, op 19 augustus 2013 respectievelijk 9 september 2013, contact heeft gehad met appellante. Nu het besluit van
14 augustus 2013 op deze data bekend was, heeft de psychologe kennis kunnen nemen van de inhoud hiervan en daartegen, desgewenst en zo nodig pro forma, bezwaar kunnen maken. Dat zij van een medewerker telefonisch te horen zou hebben gekregen dat zij maar moest afwachten, en niet dat zij bezwaar moest maken als zij het er niet mee eens was, baat appellante niet. In het besluit van 14 augustus 2013 staat immers dat binnen zes weken bezwaar kon worden gemaakt. Voor zover appellante heeft bedoeld te betogen dat de psychologe (als niet-jurist) mogelijk niet adequaat heeft gehandeld en dat appellante deze handelwijze niet kan worden toegerekend, slaagt dit betoog niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1800) komt het handelen of nalaten van een persoon aan wie een betrokkene zijn belangen heeft toevertrouwd immers voor risico van die betrokkene. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake.
4.4.
Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) P.C. de Wit

HD