ECLI:NL:CRVB:2015:3491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift te laat ingediend bij intrekking bijstandsuitkering; termijnoverschrijding niet verschoonbaar
Appellante ontving sinds eind 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok haar bijstand per 1 juli 2013 in omdat zij niet binnen de gestelde termijn gevraagde stukken had aangeleverd. Het bezwaarschrift tegen deze intrekking werd te laat ingediend en door het college niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten, waarvan het college op de hoogte was, haar belemmerden om post te openen en tijdig bezwaar te maken. Haar psychologe had contact met de gemeente, maar appellante werd niet geïnformeerd over de bezwaarmogelijkheid.
De Raad oordeelde dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken bedraagt en dat het bezwaarschrift na deze termijn was ingediend. De psychologe, die de belangen van appellante behartigde en de post doornam, had kennis kunnen nemen van het besluit en tijdig bezwaar kunnen maken. Het handelen van de psychologe wordt appellante toegerekend, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, wat hier niet het geval is.
Daarom is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en wordt het hoger beroep afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.