ECLI:NL:CRVB:2015:3500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstandsuitkering wegens niet overleggen bankafschriften
Appellant had tot 1 februari 2013 een WW-uitkering en vroeg op 4 februari 2013 bijstand aan op grond van de WWB. Het college verzocht hem bankafschriften over de periode 1 november 2011 tot 1 februari 2013 te overleggen, met een uiterste inleverdatum van 26 februari 2013. Omdat appellant deze stukken niet aanleverde, stelde het college de aanvraag buiten behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de bankafschriften niet nodig waren, dat zijn auto met de stukken was gestolen en dat de aanvraag als IOAW-uitkering moest worden gezien. De Raad oordeelde dat de bankafschriften noodzakelijk waren voor beoordeling van zowel vermogen als inkomen en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij de stukken niet kon overleggen.
De Raad verwierp het verweer dat het college de termijn had moeten verlengen, omdat appellant niet tijdig om verlenging had gevraagd. Ook was er geen grond om de aanvraag als IOAW-aanvraag te behandelen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van bankafschriften.