ECLI:NL:CRVB:2015:351

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2015
Publicatiedatum
11 februari 2015
Zaaknummer
14-3394 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening Wajong-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van de uitspraak van 30 april 2014, waarin haar bezwaar tegen een boete van het UWV werd afgewezen. Zij stelde dat de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheidspercentage onrechtvaardig was en dat het UWV onjuiste informatie had verstrekt, hetgeen volgens haar misdrijven opleverde. Tevens betwistte zij de rechtmatigheid van de opgelegde boete.

De Raad heeft overwogen dat het rechtsmiddel van herziening alleen openstaat indien nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht komen die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. In dit geval waren alle door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden reeds bekend en eerder beoordeeld.

Daarom is het verzoek om herziening afgewezen. De Raad oordeelde dat de procedure niet bedoeld is voor een heropening van reeds behandelde kwesties. Ook is geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door M. Greebe, in aanwezigheid van griffier D. van Wijk.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de Wajong-uitspraak is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

14/3394 WAJONG
Datum uitspraak: 11 februari 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van
30 april 2014, 12/1406 WAJONG
Partijen:
[Verzoekster] te Aruba (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de door de Raad op 30 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1441) gegeven uitspraak.
Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. Voor verzoekster is haar echtgenoot [naam echtgenoot] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak van 30 april 2014 waarvan herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2012, 11/3485, vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2011 geheel in stand zijn gelaten. De Raad heeft de boete vastgesteld op een bedrag van € 210,- en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 juni 2011. Verder is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2011 voor het overige in stand blijven en zijn bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegeven.
3. Bij verzoekschrift van 25 mei 2014 heeft verzoekster, onder verwijzing naar het gestelde in haar bezwaarschrift van 5 maart 2011 alsmede het verhandelde ter zitting van de Raad van
19 maart 2014, verzocht om de uitspraak van 30 april 2014 te herzien en de tenuitvoerlegging van het besluit van 14 juni 2011 te schorsen. Mede gelet op wat namens verzoekster ter zitting naar voren is gebracht, ligt aan het verzoek om herziening ten grondslag dat bij de uitspraak van 30 april 2014 ten onrechte ervan is uitgegaan dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en haar een boete kon worden opgelegd. Samengevat is het standpunt van verzoekster dat de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheidspercentage in de jaren 1996 en 2009 slechts op basis van rekenkundige modellen tot stand is gekomen, hetgeen volgens haar vertaald kan worden in respectloosheid, academische arrogantie, machtsmisbruik, list en bedrog. Bovendien heeft het Uwv volgens verzoekster bewijsmateriaal geweigerd dan wel genegeerd om zijn eigen falen te camoufleren, alsmede - ook aan de Raad - onjuiste en onvolledige informatie verstrekt om haar in een kwaad daglicht te stellen. Volgens verzoekster moet zo’n handelwijze gekwalificeerd worden als een misdrijf. Daarnaast heeft verzoekster te kennen gegeven dat de door de Raad getrokken conclusie in de punten 4.4 en 4.6 van de uitspraak van 30 april 2014 niet in overeenstemming is met de realiteit en dat de haar opgelegde boete van
€ 201,- op nihil moet worden gesteld nu door het Uwv niet langer wordt ontkend dat zij aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan. Tot slot heeft verzoekster naar voren gebracht dat de gehele procedure doorspekt is van listen van het Uwv en dat op grond daarvan de terugvordering gedeeltelijk vernietigd moet worden.
4. In haar reactie van 1 juli 2014 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de Raad in zijn uitspraak van 30 april 2014 voldoende is ingegaan op de niet tijdige informatievoorziening en de daaraan verbonden consequentie van de (verlaagde) boeteoplegging, zodat niet valt in te zien waarom op die uitspraak moet worden teruggekomen. Ter zitting heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat hetgeen namens verzoekster naar voren is gebracht geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Verzoekster heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb opgeworpen. Alle feiten en omstandigheden die verzoekster bij haar verzoek om herziening van de uitspraak van 30 april 2014 heeft genoemd, waren haar voorafgaand aan die uitspraak bekend en de Raad heeft daarover reeds zijn oordeel gegeven.
5.2.
Aangezien het rechtsmiddel van herziening niet is bedoeld voor een heropening van de discussie die voorafgaand aan en op de zitting van 19 maart 2014 is gevoerd, moet het verzoek om herziening worden afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.
(getekend) M. Greebe
(getekend) D. van Wijk
nk