ECLI:NL:CRVB:2015:3534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als medewerker tuinbouw en later algemeen montagemedewerker, viel uit wegens diverse gezondheidsklachten. Na meerdere medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Appellant voerde aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen en dat de geselecteerde functies zijn belastbaarheid te boven gingen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant niet werden onderschat. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) weerspiegelde de beperkingen adequaat, en de geselecteerde functies waren passend bij zijn mogelijkheden.
Appellant kon geen onderbouwd medisch tegenbewijs leveren dat het oordeel van het UWV zou moeten betwijfelen. De Raad verwierp het beroep en bevestigde het besluit van het UWV, waarmee de weigering van de WIA-uitkering stand hield.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.