ECLI:NL:CRVB:2015:3689
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening gelijkstelling vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, geboren in 1938 in het toenmalig Nederlands-Indië, diende in juni 2013 een aanvraag in voor toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd bij besluit van 11 december 2013 afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat zij vervolging had ondergaan. Hiertegen maakte zij geen bezwaar.
In mei 2014 verzocht appellante om herziening van dit besluit en om gelijkstelling met de vervolgde vanwege het overlijden van haar stiefvader. Dit verzoek werd afgewezen door verweerder en gehandhaafd na bezwaar. De Raad toetst met terughoudendheid en concludeert dat appellante geen nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die tot herziening zouden moeten leiden.
De feiten tonen aan dat appellante slechts kort deel uitmaakte van het gezin van haar stiefvader, die in 1943 overleed als krijgsgevangene. Er was geen zodanige hechte band dat hij als oudervervangend persoon kan worden aangemerkt. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot herziening van het besluit wordt ongegrond verklaard.