ECLI:NL:CRVB:2015:3725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2015
Publicatiedatum
27 oktober 2015
Zaaknummer
14/2820 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 WWBArt. 58 lid 8 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens verzwegen werkzaamheden postbezorger

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 18 mei 2009. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen ontdekte via een signaal van het Inlichtingen Bureau dat appellant werkzaamheden verrichtte als postbezorger bij een bedrijf zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2013 herzien en teruggevorderd.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zijn schuld aan het college met de verdiensten had afgelost, maar dit ontslaat hem niet van de verplichting om inkomsten te melden. De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het college op grond van de WWB verplicht was de bijstand te herzien en terug te vorderen.

De Raad stelde vast dat appellant geen dringende redenen had aangevoerd om van terugvordering af te zien. Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Gelderland die het beroep ongegrond verklaarde.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens het niet melden van werkzaamheden.

Uitspraak

14/2820 WWB
Datum uitspraak: 27 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
7 mei 2014, 13/8270 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 augustus 2015. Partijen zijn - het college met bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2.
Appellant ontvangt vanaf 18 mei 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.3.
Naar aanleiding van een bij het college binnengekomen signaal van het Inlichtingen Bureau, inhoudende dat appellant werkzaamheden verricht als postbezorger bij [BV] , heeft het college een administratief onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van appellant en in dat kader nadere informatie ingewonnen bij [BV] . Hieruit is naar voren gekomen dat appellant in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2013 werkzaamheden heeft verricht bij [BV] zonder hiervan bij het college melding te maken.
1.4.
Bij besluit van 29 juli 2013 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2012 tot en met 28 februari 2013 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van in totaal € 4.590,93 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 9 september 2013 heeft het college de bijstand over de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 mei 2013 herzien en de bijstand over deze periode tot een bedrag van € 788,22 (netto) van hem teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 23 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 29 juli 2013 en 9 september 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de perioden in geding werkzaamheden voor [BV] heeft verricht en hieruit inkomsten heeft genoten. Evenmin is in geschil dat appellant het college hierover niet heeft geïnformeerd. Dat appellant - zoals hij stelt - met zijn verdiensten zijn schuld bij het college heeft afgelost ontslaat hem niet van de op hem rustende inlichtingenverplichting, waaronder de verplichting zijn inkomsten op de daarvoor bestemde mutatieformulieren op te geven.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het college ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB gehouden was de bijstand over de periode in geding te herzien.
4.4.
Gelet op 4.2 en 4.3, was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB voorts gehouden de ten onrechte of te veel betaalde kosten van bijstand terug te vorderen. Met betrekking tot de hoogte van het in totaal teruggevorderde bedrag heeft appellant geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd.
4.5.
Appellant heeft geen dringende redenen in de zin van artikel 58, achtste lid, van de WWB aangevoerd die het college aanleiding hadden moeten geven geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.
(getekend) M. Hillen
(getekend) C. Moustaïne

HD