ECLI:NL:CRVB:2015:3729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor schuld wegens ontbreken dringende redenen
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de doorbetaling van huur tijdens haar detentieperiode van oktober 2012 tot februari 2013. Het college van burgemeester en wethouders van Leiden wees de aanvraag af omdat de huurkosten reeds door haar zoon waren voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, verwijzend naar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB, dat bijstand voor aflossing van schulden in beginsel uitsluit.
In hoger beroep stelde appellante dat haar eerdere aanvraag van januari 2013 ten onrechte niet in behandeling was genomen. De Raad oordeelde echter dat het college haar had geïnformeerd over ontbrekende stukken en het onvolledig ingevulde formulier, en dat appellante geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om de aanvraag aan te vullen. Ook was er geen sprake van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 49 van Pro de WWB, omdat de situatie van appellante niet volstrekt onvermijdelijk was.
De Raad concludeerde dat de afwijzing terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor terugbetaling van de schuld wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.