Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:3787

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2015
Publicatiedatum
30 oktober 2015
Zaaknummer
14/3914 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.T. van den Corput
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loongerelateerde WGA-uitkering bij 63% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, werkzaam als straatcoach, viel op 18 juli 2011 uit wegens psychische klachten en anale fistels. Na een medisch onderzoek door verzekeringsarts C. Verweij werd een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld die beperkingen vaststelde. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk maar wel voor andere functies, waarop een arbeidsongeschiktheid van 63% werd vastgesteld en een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

Appellant maakte bezwaar tegen de mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld. Na aanpassing van de FML door verzekeringsarts bezwaar en beroep K.T. Kan en een nieuw arbeidskundig rapport werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 64,56%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.

In hoger beroep bracht appellant aanvullende medische informatie in, waaronder klachten over een hernia en allergieën. Het UWV leverde nadere rapporten van verzekeringsarts Tan en arbeidsdeskundige Timp. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld, evenals de geschiktheid voor de geselecteerde functies. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

De Raad vond geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige en oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende inzicht en onderbouwing boden. De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 28 oktober 2015.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 63%.

Uitspraak

14/3914 WIA
Datum uitspraak: 28 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 juni 2014, 13/7069 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schermerhorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als straatcoach. Op 18 juli 2011 is hij uitgevallen wegens psychische klachten. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant is onderzocht door verzekeringsarts C. Verweij, die in een rapport van 2 mei 2013 heeft vastgesteld dat appellant als gevolg van zijn psychische klachten (paniekstoornis met agorafobie) en anale fistels beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft zij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 juni 2013. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in een rapport van 4 juli 2013 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van straatcoach maar nog wel geschikt voor een viertal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 63,56%. In overeenstemming met dit rapport is bij besluit van 8 juli 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 15 juli 2013 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63%.
1.2.
In bezwaar heeft appellant gesteld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat hij meer beperkingen heeft dan in de FML zijn vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft, heeft hij medische informatie van de behandelend sector ingebracht.
1.3.
Verzekeringsarts bezwaar en beroep K.T. Kan heeft de FML op 15 oktober 2013 aangepast door ook beperkingen aan te nemen op het item persoonlijke risico. Op grond van deze aangepaste FML is arbeidskundige bezwaar en beroep H. Timp in zijn rapport van
22 oktober 2013 tot de conclusie gekomen dat een tweetal voor appellant geselecteerde functies niet meer geschikt voor hem zijn. Hij heeft nieuwe functies geselecteerd en op basis van drie voor appellant geschikt geachte functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 64,56%. Bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid nader is vastgesteld op 64,56 %, heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2.1.
In beroep heeft appellant nog meer (medische) informatie ingebracht en heeft hij gesteld dat hij, naast de reeds vermelde klachten, ook last heeft van een hernia en van allergische klachten.
2.2.
Het Uwv heeft in beroep nadere rapporten ingebracht van verzekeringsarts bezwaar en beroep Tan en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Timp, waarin is gereageerd op de gronden van appellant.
3. In de aangevallen heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld naar de klachten van appellant en dat voldaan is aan de eisen die het Schattingsbesluit aan een dergelijk onderzoek heeft gesteld. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gevonden om een deskundige in te schakelen. Voorts is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat in de FML van 15 oktober 2013 de beperkingen van appellant juist zijn weergegeven en dat de geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is aangetoond. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
4.1.
In hoger beroep heeft appellant de gronden die hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, herhaald.
4.2.
Het Uwv heeft in verweer een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep Tan van
3 februari 2014 overgelegd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeeling.
5.1.
Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, wordt onderschreven. Daartoe wordt overwogen dat zowel Verweij als Tan appellant hebben gezien en bij hun beoordeling de beschikking hebben gehad over informatie uit de behandelend sector. Het oordeel van de rechtbank dat in de FML van 15 oktober 2013 de beperkingen van appellant juist zijn weergegeven, wordt eveneens onderschreven. De beperkingen die in deze FML als gevolg van de psychische- en de fistelklachten zijn vastgesteld, kunnen, gezien de beschikbare medische gegevens, niet voor onjuist worden gehouden. Voorts heeft Tan in zijn rapporten in voldoende mate uiteengezet dat de rugklachten en de allergische klachten geen aanleiding vormen om in de FML meer beperkingen op te nemen. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en dat voor het inschakelen van een deskundige geen aanleiding bestaat.
5.2.
Het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de op 15 oktober 2013 vastgestelde FML, de geschiktheid van de functies in voldoende mate is aangetoond, wordt eveneens onderschreven. Daarvoor wordt verwezen naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 oktober 2013, 24 april 2014 en 6 mei 2014, waarin de signalering met betrekking tot de belastende factoren in de functies inzichtelijk en overtuigend zijn toegelicht.
5.3.
Gelet op de overwegingen in 5.1 en 5.2 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van
M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.
(getekend) J.T.T. van den Corput
(getekend) M.S.E.S. Umans

UM