ECLI:NL:CRVB:2015:388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid als administratief medewerker
Appellant was van 2008 tot 2010 werkzaam als financieel administratief medewerker en meldde zich in januari 2011 ziek vanwege klachten aan rug, nek, schouder en een gedeeltelijk geamputeerde wijsvinger. Hij ontving een Ziektewetuitkering. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen van het UWV werd geconcludeerd dat appellant per 23 maart 2012 weer geschikt was voor zijn werk, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en voldoende medische informatie had betrokken, waaronder van behandelend plastisch chirurgen. De rechtbank oordeelde dat de pijnklachten niet objectief waren en dat de beperkingen appellant niet belemmerden om zijn arbeid te verrichten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV niet beschikte over alle medische gegevens en dat zijn klachten gelijk waren aan die bij ziekmelding, waardoor hij niet in staat was te werken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig waren en een voldoende grondslag boden om te concluderen dat appellant per 23 maart 2012 geschikt was. Het ontbreken van aanvullende medische stukken leidde tot bevestiging van de eerdere uitspraak en afwijzing van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering per 23 maart 2012 wordt bevestigd.