ECLI:NL:CRVB:2015:389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor arbeid en intrekking ziekengeld na medisch onderzoek
Appellante ontving sinds 2002 een WAO-uitkering wegens vermeende baarmoederkanker en longklachten, welke in 2006 werd ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies. Na ziekmelding in 2011 met diverse klachten, waaronder jeuk en vermoeidheid, werd zij medisch onderzocht door het UWV. De verzekeringsarts achtte haar per 1 december 2011 geschikt voor arbeid en het UWV trok haar ziekengeld in.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten voldoende waren meegewogen.
In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt, maar levert geen nieuwe medische informatie. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het oordeel onderschrijft en dat de beperkingen niet zodanig zijn dat zij niet geschikt is voor de functies.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.