ECLI:NL:CRVB:2015:3923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ANW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 november 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Naar aanleiding van een anonieme melding en een daaropvolgend onderzoek door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd vastgesteld dat appellante sinds 1 januari 2013 samenwoonde met een ander persoon, wat leidt tot intrekking van de uitkering.
De Svb trok de uitkering met ingang van 1 januari 2013 in en vorderde de te veel ontvangen bedragen terug. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarop de Svb het intrekkingsbesluit deels wijzigde en de intrekking met ingang van 1 februari 2013 vaststelde. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het bezwaar voor zover het terugvorderingsvoorstel en de boete betroffen.
In hoger beroep betwistte appellante dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de relevante periode. De Raad concludeerde op basis van het onderzoek, waaronder een huisbezoek en verklaringen van appellante en haar partner, dat aan de voorwaarden voor gezamenlijke huishouding was voldaan. De Raad bevestigde daarom het intrekkingsbesluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
De Raad oordeelde dat de Svb voldoende feiten en omstandigheden had verzameld om het besluit te dragen en dat de schriftelijke verklaring, hoewel opgesteld door toezichthouders, rechtsgeldig was omdat deze door partijen was ondertekend. Er was geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen.
De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 10 november 2015 door de Centrale Raad van Beroep, waarbij het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de ANW-uitkering per 1 februari 2013 wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.