Uitspraak
OVERWEGINGEN
4.5. Uit 4.4 vloeit voort dat het college bevoegd was om de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende op 18 september 2012 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Het college verzocht haar om aanvullende documenten te overleggen, waaronder bankafschriften en een voorlopige teruggave 2012. Ondanks een hersteltermijn verstrekt door het college, leverde appellante niet alle gevraagde stukken tijdig aan.
Het college stelde de aanvraag bij besluit van 31 oktober 2012 buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de gevraagde gegevens niet of niet volledig waren verstrekt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar bewindvoerder de stukken tijdig had ingeleverd en dat het niet mogelijk was om bepaalde bankafschriften te overleggen.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij de gevraagde gegevens tijdig had overgelegd of dat het onmogelijk was deze te overleggen. Het college had terecht het besluit genomen de aanvraag buiten behandeling te laten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens.