ECLI:NL:CRVB:2015:3950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 5 februari 2013 waarin werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht op een WIA-uitkering heeft. Dit bezwaar werd bij besluit van 8 juli 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, omdat het onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig was uitgevoerd.
De verzekeringsarts had een uitgebreide anamnese en lichamelijk en psychisch onderzoek verricht, ondersteund door informatie van een orthopedisch chirurg en aanvullende gegevens uit de curatieve sector. De rechtbank volgde de conclusie dat er geen aanwijzingen waren voor meer beperkingen dan vermeld in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 22 januari 2013. Ook werd geoordeeld dat de geplande rugoperatie in september 2013 niet relevant was voor de beoordeling op 1 februari 2013.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij de voorgehouden voorbeeldfuncties niet kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De rapporten van de behandelende sector dateren van na de peildatum en geven geen aanleiding tot het aannemen van meer beperkingen. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de voorbeeldfuncties voldoende gemotiveerd.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.