Uitspraak
20 februari 2014, 11/755 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant werd door het UWV terugvordering opgelegd wegens onverschuldigde WAZ-uitkeringen over de periode 2005-2010, in totaal €51.512,88. Het UWV stelde vervolgens de aflossingscapaciteit vast, waartegen appellant bezwaar maakte. Na meerdere besluiten en bezwaarprocedures stelde het UWV de aflossingscapaciteit uiteindelijk vast op €463,29 per maand.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het UWV de aflossingscapaciteit juist had berekend, rekening houdend met inkomen van appellant en partner, onkostenvergoeding, beslagvrije voet, woonlasten en zorgkosten.
Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat niet-vergoede kosten in mindering gebracht moesten worden op het inkomen. De Raad oordeelde dat het UWV correct had gehandeld volgens de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Niet-vergoede kosten zijn geen normale bestaanskosten en mogen niet worden meegenomen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Appellant kan bij gewijzigde omstandigheden een nieuw verzoek indienen bij het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aflossingscapaciteit van appellant correct is vastgesteld op €463,29 per maand.