ECLI:NL:CRVB:2015:4012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-uitkering na zorgvuldige beoordeling verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek wegens lichamelijke en psychische klachten gerelateerd aan prostaatkanker. Het UWV kende hem op grond van de Wet WIA een WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig was en dat er geen aanleiding was voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen onvoldoende waren opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen had afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsartsen de klachten van appellant wel degelijk hadden onderkend en passende beperkingen hadden vastgesteld. Er waren geen objectiveerbare ernstige afwijkingen gevonden en psychische klachten waren adequaat beoordeeld.
De Raad bevestigde dat de arbeidsdeskundige rapporten voldoende inzicht boden in de geschiktheid van de functies voor appellant. Er was geen medische informatie overgelegd die twijfel kon zaaien over de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig oordeel. Daarom was het hoger beroep ongegrond en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.