ECLI:NL:CRVB:2015:4054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 10 januari 2000, waarin haar Wajong-uitkering werd geweigerd wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid. Tevens deed zij een beroep op de Amber-regeling en vroeg zij om herziening voor de toekomst. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd en onvoldoende bewijs bestond dat appellante vier weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest.
In hoger beroep stelde appellante dat haar aanvraag zowel op grond van artikel 4:6 Awb Pro als op basis van toegenomen arbeidsongeschiktheid tot toekenning moest leiden. Zij verwees naar medische rapporten, waaronder een brief van een neuroloog, die haar ziektebeeld en verergering daarvan onderbouwden. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat de aanvraag naar zijn strekking moest worden beoordeeld en bevestigde dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren vermeld die aanleiding gaven tot herziening. De brief van de neuroloog betrof een andere diagnose, maar dit veranderde niets aan de functionele beperkingen in de relevante periode. Ook was niet voldaan aan de Amber-criteria van vier weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid. Het UWV had nagelaten een beoordeling te maken over de aanvraag voor de toekomst, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.