Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding over inwoning van een derde op zijn adres, werd appellant opgeroepen voor een gesprek waarbij handhavingsmedewerkers een huisbezoek wilden afleggen om zijn woon- en leefsituatie te verifiëren.
Tijdens het gesprek op 19 september 2013 weigerde appellant uiteindelijk zijn toestemming voor het huisbezoek en tekende hij het huisbezoekformulier niet. Ondanks een hersteltermijn van vijf minuten om alsnog medewerking te verlenen, bleef appellant weigeren. Het college schortte daarop zijn bijstand op en trok deze later in.
Appellant voerde aan dat de hersteltermijn te kort was vanwege zijn Somalische afkomst en wantrouwen jegens autoriteiten, en dat zijn gemachtigde na afloop alsnog toestemming per fax had gegeven. De Raad oordeelde dat appellant begreep wat het huisbezoek inhield en de gevolgen van weigering, dat de hersteltermijn redelijk was en dat de noodzaak tot direct huisbezoek zwaarwegend was. De na termijn verleende toestemming was te laat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De opschorting en intrekking van de bijstand wegens weigering van medewerking aan een huisbezoek worden bevestigd.