ECLI:NL:CRVB:2015:4200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herbeoordeling WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 2008 een WIA-uitkering wegens psychische klachten. In 2012 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en een psycholoog concludeerden dat appellante geen psychische stoornissen meer had en haar klachten mogelijk aggregeerde of voorwende.
Het UWV besloot in 2013 de uitkering te beëindigen, wat werd bevestigd bij bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar duizeligheidsklachten en valincidenten onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat hiervoor geen objectieve medische oorzaak was vastgesteld en dat het UWV terecht geen extra beperkingen had opgenomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.