Appellant, werkzaam als afdelingsleider, viel in december 2010 uit wegens been- en rugklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de WIA-uitkering af. Appellant bracht in bezwaar naar voren dat hij ook beperkingen ondervindt door blindheid aan zijn rechteroog, maar dit leidde niet tot aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet waren onderschat. De arbeidskundige beoordeling toonde aan dat de belastbaarheid van de voorgehouden functies niet werd overschreden.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek naar zijn visuele beperkingen onvoldoende was geweest en dat deze beperkingen zijn arbeidsgeschiktheid wel degelijk belemmeren. De Raad concludeerde echter dat de verzekeringsarts deze beperking had erkend en betrokken bij de beoordeling. Het aanvullende arbeidsdeskundig rapport bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren voor iemand met één goed oog.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.