Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:4230

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2015
Publicatiedatum
27 november 2015
Zaaknummer
14/4560 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks gezichtsbeperking

Appellant, werkzaam als afdelingsleider, viel in december 2010 uit wegens been- en rugklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de WIA-uitkering af. Appellant bracht in bezwaar naar voren dat hij ook beperkingen ondervindt door blindheid aan zijn rechteroog, maar dit leidde niet tot aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en het bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet waren onderschat. De arbeidskundige beoordeling toonde aan dat de belastbaarheid van de voorgehouden functies niet werd overschreden.

In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek naar zijn visuele beperkingen onvoldoende was geweest en dat deze beperkingen zijn arbeidsgeschiktheid wel degelijk belemmeren. De Raad concludeerde echter dat de verzekeringsarts deze beperking had erkend en betrokken bij de beoordeling. Het aanvullende arbeidsdeskundig rapport bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren voor iemand met één goed oog.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

14/4560 WIA
Datum uitspraak: 27 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
18 juli 2014, 13/304 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Desgevraagd heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam als afdelingsleider bij een verpakkingsbedrijf. Op 16 december 2010 viel hij uit voor zijn werk met beenklachten, later kreeg appellant ook rugklachten.
1.2.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2012 vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 17 december 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In bezwaar kwam naar voren dat appellant ook beperkingen ondervindt als gevolg van een aandoening aan zijn gezichtsvermogen waardoor hij met zijn rechteroog niets ziet. Dit heeft niet geleid tot aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML); het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 oktober 2012 is bij besluit van 19 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien het door de verzekeringsartsen verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te achten of te concluderen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant hebben onderschat. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen bij hun onderzoek informatie van de behandelend sector hebben betrokken. Over de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant, zoals weergegeven in de FML overschrijdt.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de medische beoordeling op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden omdat geen gedegen onderzoek is verricht naar appellants beperkingen ten aanzien van de visus. Er dient beoordeeld te worden in hoeverre de beperkingen van de visus een belemmering voor het verrichten van arbeid met zich meebrengt. Appellant heeft gewezen op de informatie van de curatieve sector en stelt dat hij voldoende heeft onderbouwd dat hij beperkingen ondervindt.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Voor zover de gronden van appellant betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. In bezwaar kwam naar voren dat appellant slechts met één oog kan zien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze klacht onderkend en in de heroverweging betrokken. Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert en dat in hoger beroep in rapport van 22 januari 2015 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog is toegelicht, heeft appellant geen overtuigend en onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv.
4.2.
In het rapport van 7 september 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep alsnog toereikend onderbouwd waarom de geselecteerde functies zijn te vervullen door iemand die met één oog ziet. Hieruit volgt dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ook in dat opzicht passend zijn te achten voor appellant. Vastgesteld wordt dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deels eerst in hoger beroep kenbaar is geworden. Nu niet blijkt dat appellant hierdoor is geschaad, passeert de Raad dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Wel bestaat daarom reden om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door appellant in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1960,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden.
5. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1960,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 164,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.
(getekend) H. van Leeuwen
(getekend) J.R. van Ravenstein

UM