Uitspraak
,advocaat
,hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als bankwerker, meldde zich ziek met long- en psychische klachten en ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 15 mei 2012 en een WGA-vervolguitkering vanaf 15 september 2012, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en kreeg deels gelijk bij het bezwaarbesluit van 30 juli 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de medische beperkingen niet had onderschat en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundige grondslag juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat psychische klachten ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten en dat onvoldoende was gemotiveerd dat zijn verslaving geen belemmering vormde voor arbeid.
De Centrale Raad stelde vast dat de rechtbank het beroep onjuist had beperkt en vernietigde de uitspraak voor zover deze niet had beslist over de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 september 2012. De Raad beoordeelde dat het UWV de medische beperkingen op beide data niet had onderschat en dat de arbeidskundige grondslag juist was. Echter, het UWV had pas in hoger beroep een verzekeringsgeneeskundige onderbouwing gegeven voor 15 september 2012, waardoor het besluit voor die datum onvoldoende was gemotiveerd.
Daarom verklaarde de Raad het beroep gegrond en vernietigde het besluit voor zover het de WGA-vervolguitkering per 15 september 2012 betreft, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit over de WGA-vervolguitkering per 15 september 2012 wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing, overige besluiten worden bevestigd en het UWV wordt veroordeeld in proceskosten.