ECLI:NL:CRVB:2015:4239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 26 juni 2012 waarin werd vastgesteld dat hij per 6 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor hij geen recht had op een WIA-uitkering. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij besluit van 30 oktober 2012. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond verklaard, stellende dat het besluit was gebaseerd op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen door de verzekeringsarts waren onderschat en dat de voorgehouden functies niet passend waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat er geen aanleiding was om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De medische beperkingen waren voldoende inzichtelijk en onderbouwd, en de arbeidsdeskundige had gemotiveerd waarom de voorbeeldfuncties geschikt waren.
Ook de aanvullende medische brieven van de huisarts en cardioloog gaven geen aanleiding tot een ander oordeel, aangezien deze informatie reeds bekend was bij de verzekeringsarts en geen verdere beperkingen rechtvaardigde. De Raad bevestigde dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag rustte en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.