ECLI:NL:CRVB:2015:4270

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2015
Publicatiedatum
1 december 2015
Zaaknummer
13/5714 WWAJ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:12 AwbWet WajongAlgemene Arbeidsongeschiktheidswet
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering Wet Wajong wegens niet vervulde wachttijd

Appellante diende op 19 augustus 2010 een aanvraag in op grond van de Wet Wajong, welke door het UWV op 11 oktober 2010 werd afgewezen. Zij stelde geen rechtsmiddelen tegen dit besluit in. In 2012 verzocht appellante om herbeoordeling op basis van nieuwe medische gegevens, waaronder een rapport van een orthopedisch chirurg. Het UWV handhaafde het eerdere besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had gesteld zoals vereist volgens artikel 4:6 van Pro de Awb.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de diagnose spondylolyse een nieuw feit was en dat het UWV ten onrechte geen urenbeperking wegens energetische beperkingen had erkend. Tevens verzocht zij om benoeming van een medisch deskundige. De Raad oordeelde dat de aanvraag moest worden beoordeeld als een verzoek om toekenning van een Wajong-uitkering na de melding van september 2012. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de aangevoerde gegevens geen nieuwe feiten waren en dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen.

Wel stelde de Raad vast dat het UWV het verzoek niet had beoordeeld als een aanvraag voor de periode na september 2012, wat strijdig was met artikel 7:12 Awb Pro. Desondanks kon het bestreden besluit op grond van artikel 6:22 Awb Pro in stand blijven omdat appellante de wettelijke wachttijd niet had vervuld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens niet vervulde wettelijke wachttijd.

Uitspraak

13/5714 WWAJ
Datum uitspraak: 16 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
19 september 2013, 13/2334 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. E.R. Jonkman, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren [in] 1967, heeft op 19 augustus 2010 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) gedaan. Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Bij schrijven van 24 september 2012 heeft appellante verzocht om de mate van haar arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen op basis van nieuwe gegevens waaronder het gestelde in het schrijven van G.J. van Norel, orthopedisch chirurg van 24 juli 2012. Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft het Uwv, na dossieronderzoek door een verzekeringsarts op
5 oktober 2012, appellante bericht niet terug te komen van het besluit van 11 oktober 2010. Bij beslissing op bezwaar van 14 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 oktober 2012 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzoek van appellante een herhaalde aanvraag is, zodat, gelet op artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellante gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te stellen. De rechtbank is van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. De nu overlegde gegevens waren grotendeels al bekend bij het Uwv. Het enkele gegeven dat sprake is van een nieuwe diagnose is geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de spondylolyse wel degelijk als een nieuw feit moet worden beschouwd. Appellante is sinds haar veertiende jaar bezig in het medisch circuit om haar rugpijn te laten verhelpen. Ten onrechte heeft het Uwv geen urenbeperking ten gevolge van energetische beperkingen noodzakelijk geacht. Tenslotte heeft appellante de Raad verzocht een medisch deskundige te benoemen.
3.1.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Zoals is overwogen in de uitspraak van 14 januari 2015
(ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. De aanvraag van appellante strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het besluit van 11 oktober 2010, waarbij is vastgesteld dat appellante geen recht had op een Wajong-uitkering. De aanvraag van appellante moet overeenkomstig zijn strekking ook worden opgevat als een verzoek om toekenning van een Wajong-uitkering voor de periode na de melding van 24 september 2012. Een zogenoemde Amber-beoordeling is in deze zaak niet aan de orde, omdat de Wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden en in de vijf jaar daaraan voorafgaand geen besluit tot toekenning, herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is genomen (uitspraak van 5 februari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AD9471).
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellante heeft vermeld bij haar aanvraag en in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de stukken die appellante bij haar aanvraag heeft gevoegd geen nieuw licht werpen op de mogelijk bestaande beperkingen bij appellante rond haar 17ᵉ en 18ᵉ jaar. Volgens de verzekeringsartsen zijn in het rapport van Van Norel geen aanknopingspunten te vinden voor de opvatting dat appellante op haar 17ᵉ jaar arbeidsongeschikt was. Appellante was en blijft aangewezen op rugsparend werk. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om onder toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb, het verzoek van appellante af te wijzen om terug te komen van het besluit van 11 oktober 2010 wat betreft het verleden. De uitoefening van die bevoegdheid kan de rechterlijke toetsing doorstaan.
4.3.1.
Vastgesteld moet worden dat het Uwv de aanvraag van appellante niet heeft beoordeeld als een verzoek om uitkering voor de periode na de aanvraag van 24 september 2012, zodat dit besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Bezien zal worden of onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.
4.3.2.
In de uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1111) is overwogen dat vanaf 1 januari 2010 ingediende aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wet Wajong van personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, wat betreft de aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering beoordeeld moeten worden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat artikel 3:6 van Pro de Wet Wajong niet van toepassing is op deze personen. Er zijn voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen. Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad over de gevolgen van de uitspraak van 8 april 2015 voor de aanvraag van appellante heeft het Uwv bij brief van 6 augustus 2015, onder verwijzing naar het rapport van 24 juli 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 3 augustus 2015 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, met juistheid uiteengezet dat een beoordeling op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet niet tot een andere uitkomst leidt, omdat appellante de wettelijke wachttijd om voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking te komen niet heeft vervuld. Dit leidt tot de conclusie dat de aanvraag van appellante ook met betrekking tot het onder 4.3.1 genoemde aspect, dat aanvankelijk niet door het Uwv beoordeeld was, afgewezen had moeten worden. Het bestreden besluit kan daarom in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.
5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep ter hoogte van € 980,- en in hoger beroep ter hoogte van € 980,-, totaal € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep ter hoogte van € 1.960,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 162,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2015.
(getekend) P.H. Banda
(getekend) J.R. van Ravenstein

UM