ECLI:NL:CRVB:2015:4276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Mede-terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant en G hebben samen twee kinderen en woonden volgens het onderzoek van de sociale recherche gezamenlijk op het uitkeringsadres waar G bijstand ontving. Na een anonieme melding voerde de gemeente Rotterdam een uitgebreid onderzoek uit, waaronder dossieronderzoek, waarnemingen en getuigenverklaringen, waaruit bleek dat appellant en G een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand van G met ingang van 3 augustus 1998 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode tot eind 2012 terug, mede van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat het privacyrecht was geschonden door de observaties.
De Raad oordeelde dat de waarnemingen niet onrechtmatig waren en dat de meldingsplicht was geschonden. De verklaringen van G en buurtbewoners bevestigden het gezamenlijke hoofdverblijf. Het college was bevoegd om mede van appellant terug te vorderen, en het hoger beroep werd verworpen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de terugvordering van bijstand mede van appellant bevestigd.