ECLI:NL:CRVB:2015:4302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor maatmanarbeid welzijnswerker
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 5 juni 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij geschikt is voor de maatmanarbeid van welzijnswerker. De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellant ongegrond verklaard. De verzekeringsartsen van het UWV baseerden hun oordeel op dossieronderzoek, eigen onderzoek en medische informatie van behandelend specialisten.
Appellant stelde in hoger beroep dat in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2013 te weinig beperkingen waren vastgelegd. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant in hoger beroep geen nieuwe medische informatie had overgelegd en dat de eerdere medische rapporten, waaronder een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, de juistheid van het UWV-besluit ondersteunen. De subjectieve pijnbeleving en sociale factoren zoals beschreven in de WPN-klasse 4 zeggen niets over de objectieve medische beperkingen.
De Raad concludeerde dat er geen reden is om te twijfelen aan de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.