Appellante viel op 5 oktober 2011 uit wegens schouder- en armklachten en ontving een gedeeltelijke WW-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van 16 augustus 2013 vast dat zij vanaf 2 oktober 2013 geen recht op WIA-uitkering heeft wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Dit besluit werd bij bezwaar en rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onzorgvuldig onderzoek had verricht en haar beperkingen werden onderschat, met name het niet kunnen gebruiken van haar rechterarm. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De arbeidsdeskundigen concludeerden dat appellante de geselecteerde functies, behalve routechauffeur, kan vervullen. Het hoger beroep werd verworpen, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.