ECLI:NL:CRVB:2015:4321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en meldde zich ziek met psychische klachten, gevolgd door uitval wegens rugklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering omdat zij geschikt was voor haar eigen werk. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond, met het standpunt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en er geen reden was om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts. Appellante had geen medische stukken overlegd die haar beperkingen verder onderbouwden.
In hoger beroep herhaalde appellante dat haar beperkingen onderschat waren, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts inzichtelijk en overtuigend had gemotiveerd welke beperkingen er waren en dat er geen aanwijzingen waren voor zwaardere beperkingen. De Raad bevestigde dat appellante in staat was de geduide voorbeeldfuncties te vervullen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door P.H. Banda, in aanwezigheid van griffier N. Veenstra, op 27 november 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.