ECLI:NL:CRVB:2015:4359
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellante ontving vanaf 2003 een toeslag op grond van de Toeslagenwet vanwege de geboorte van haar kind. Na haar huwelijk in 2007 gaf zij dit telefonisch door aan het UWV, dat haar toeslag later introk en het onverschuldigd betaalde bedrag terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond, en stelde vast dat het UWV terecht de toeslag vanaf 1 april 2008 introk en het bedrag van €17.231,73 terugvorderde. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet redelijkerwijs kon weten dat zij ten onrechte toeslag ontving en dat het terugvorderingsbedrag willekeurig was verhoogd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de intrekking van de toeslag niet in geschil was, maar alleen de terugvordering. De Raad bevestigde dat het UWV op grond van de wet verplicht is onverschuldigde toeslagen terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn om hiervan af te zien. Appellante bracht geen gegevens aan die dergelijke dringende redenen aannemelijk maken.
Verder stelde de Raad vast dat de correctie van het terugvorderingsbedrag in het bestreden besluit 2 geen willekeurige verhoging was, maar een juiste vaststelling van de periode en het bedrag. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €17.231,73 onverschuldigde toeslag door het UWV.