Uitspraak
.Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 42,29% en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant niet waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, mede omdat geen rekening was gehouden met recente medische informatie en zijn klachten waren toegenomen. Ook stelde hij dat hij de geselecteerde voorbeeldfuncties niet kon verrichten vanwege PTSS, depressieve klachten en een chronisch pijnsyndroom.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts alle relevante medische informatie had betrokken en dat er geen aanwijzingen waren dat de belastbaarheid van appellant onjuist was ingeschat. De informatie van de psycholoog die appellant in hoger beroep overlegde, gaf geen aanleiding tot twijfel aan de eerdere conclusies. Ook zag de Raad geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant in staat is de werkzaamheden te verrichten die verbonden zijn aan de geselecteerde voorbeeldfuncties. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit dat appellant in staat is de geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten wordt bevestigd.