Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 6 juni 2013 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij sinds 5 augustus 2011 niet ziek was. Dit bezwaar werd bij besluit van 12 november 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de conclusie dat hij niet lijdt aan ziekte of gebrek onjuist was. Hij verwees naar een voorlopige diagnose van psychose NAO door psychiater Hassing en medische gegevens van psychiaters in Marokko. Tevens stelde appellant dat de vraagstelling aan psychiater Van der Loo vooringenomen was en dat een derde expertise noodzakelijk was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd: dossierstudie, psychiatrische expertise, eigen psychisch onderzoek door de verzekeringsarts en een vijfdaagse observatie in een psychiatrisch ziekenhuis. De vraagstelling aan psychiater Van der Loo was neutraal en de observatie leidde tot de conclusie dat appellant geen psychiatrische stoornis had en een manipulatieve indruk maakte. De Raad vond geen aanleiding voor een derde expertise.
De Raad bevestigde dat het medisch oordeel dat aan het besluit ten grondslag ligt niet onjuist is en dat de rapporten van de verzekeringsartsen bijzondere waarde hebben. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.