ECLI:NL:CRVB:2015:4378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens weigering huisbezoek zonder redelijke grond
Appellante ontving sinds 2004 bijstand als alleenstaande ouder en stond met haar kinderen ingeschreven op een adres. Naar aanleiding van een vermoeden dat zij met haar partner samenwoonde, startte de gemeente een onderzoek, waarbij een huisbezoek werd aangekondigd. Op de dag van het huisbezoek weigerde appellante dat beide handhavingsspecialisten haar woning zouden betreden en stond slechts één medewerker toe binnen te komen. De gemeente legde uit dat vanwege veiligheidsredenen twee medewerkers noodzakelijk zijn en bood appellante de mogelijkheid om iemand te laten bijstaan, maar zij volhardde in haar weigering.
Het college trok daarop de bijstand met ingang van 16 april 2013 in wegens het niet nakomen van de medewerkingsplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college op grond van een hoog waterverbruik en verklaringen van appellante een redelijke grond had voor het huisbezoek. De weigering van het huisbezoek door appellante was niet gerechtvaardigd, ook niet omdat zij één medewerker toeliet. Daarnaast was er geen sprake van onbehoorlijk gedrag door de handhavingsspecialisten dat het huisbezoek onredelijk maakte.
Appellante's beroep op het ontbreken van een bedenktijd van vijftien minuten werd verworpen omdat zij na haar eerste weigering de gelegenheid kreeg alsnog toestemming te geven, maar volhardde in haar weigering. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De intrekking van de bijstand werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens weigering van het huisbezoek wordt bevestigd.