ECLI:NL:CRVB:2015:4389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als schoonmaker, ontving aanvankelijk een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na meerdere herbeoordelingen stelde het UWV vast dat zijn arbeidsongeschiktheid per 1 april 2013 was verhoogd naar 65-80%, maar op 7 december 2013 was gedaald tot minder dan 35%, waardoor het recht op uitkering verviel.
Appellant voerde aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Hij overhandigde medische rapporten ter onderbouwing van zijn volledige arbeidsongeschiktheid.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts niet verplicht was een psychiater te raadplegen. De Functionele Mogelijkhedenlijst weerspiegelde adequaat de beperkingen van appellant. Ook de arbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren.
Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs van appellant dat het oordeel van het UWV onjuist was, werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering per 7 december 2013 wordt bevestigd.