ECLI:NL:CRVB:2015:4431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toeslagaanvraag wegens niet behoren tot huishouden volgens Toeslagenwet
Appellant, woonachtig in Nederland, ontving vanaf 2006 een toeslag op zijn WAO-uitkering. Na beëindiging van deze toeslag in 2012 vroeg hij opnieuw toeslag aan, welke door het UWV werd afgewezen omdat zijn partner na 31 december 1971 is geboren en hij geen kind jonger dan 12 jaar heeft dat tot zijn huishouden behoort.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep voerde appellant aan dat hij zijn kinderen, die in Turkije wonen, financieel onderhoudt en dat de voorwaarden voor toeslag niet strikt moeten worden toegepast vanwege zijn schrijnende omstandigheden.
De Raad oordeelde dat het begrip 'behoren tot het huishouden' strikt wordt beoordeeld op feitelijke omstandigheden. Omdat de kinderen niet tot het huishouden behoren en de mate van financieel onderhoud geen criterium is, voldoet appellant niet aan de voorwaarden. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de toeslagaanvraag omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 TW.