Uitspraak
19 maart 2013, 12/3769 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker polisadministratie, meldde zich in januari 2010 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestaat. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit omdat het UWV aanvankelijk geen voldoende arbeidskundige onderbouwing had gegeven, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en zijn beperkingen werden onderschat, met verwijzing naar aanvullende medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen twijfel bestaat over de zorgvuldigheid en juistheid van het medisch onderzoek en de vastgestelde belastbaarheid. De verzekeringsartsen hebben appellant adequaat onderzocht en gemotiveerd waarom geen verdere beperkingen gelden. De arbeidskundige rapporten tonen aan dat appellant de geduide functies kan verrichten met inachtneming van zijn beperkingen.
Het hoger beroep slaagt niet, en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.