ECLI:NL:CRVB:2015:4497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering vanwege diverse klachten. Het UWV trok deze uitkering in 2007 in omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een melding van verslechtering van haar gezondheid in 2012 wees het UWV de aanvraag voor hernieuwde uitkering in 2013 af, omdat geen periode van vier weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschiktheid kon worden vastgesteld.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef de eerdere bevindingen, terwijl de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe voorbeeldfuncties selecteerde en een arbeidsongeschiktheid van 15,93% vaststelde. Het UWV verklaarde het bezwaar gegrond en kende een WAO-uitkering toe vanaf 24 november 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de arbeidskundige beoordeling onderschreef. In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en dat de voorbeeldfuncties medisch niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De discrepantie tussen klachten en lichamelijk onderzoek was groot, en nieuwe medische stukken gaven geen aanleiding tot herziening. Ook waren de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch passend. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.