ECLI:NL:CRVB:2015:4504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2015
Publicatiedatum
11 december 2015
Zaaknummer
14/3844 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WGA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-45%

Appellante ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na een herbeoordeling door het UWV werd deze mate van arbeidsongeschiktheid bevestigd en werd de uitkering per 29 augustus 2013 beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de beperkingen zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 juni 2013 juist waren vastgesteld. De rechtbank vond geen aanleiding om de medische conclusies te betwijfelen, ook niet de allergie voor huisstofmijt die in acht was genomen.

In hoger beroep stelde appellante dat de verzekeringsarts meer beperkingen had moeten aannemen op basis van een brief van haar behandelend psycholoog en dat zij last had van gevoelige luchtwegen en eczeem. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek en de daarop gebaseerde oordelen juist waren en dat de brief van de psycholoog niet tot een ander oordeel leidde. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante en dat de uitkering terecht was beëindigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Uitspraak

14/3844 WIA
Datum uitspraak: 4 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
17 juni 2014, 13/3609 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Namens appellante is verschenen mr. Hopman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante ontving een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2.
Bij besluit van 1 mei 2012 is die uitkering per 14 juli 2012 gewijzigd in een
WGA-vervolguitkering.
1.3.
Op 12 mei 2012 heeft appellante zich per 23 augustus 2010 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.
1.4.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante plaatsgevonden. Op basis daarvan heeft het Uwv bij besluit 16 januari 2013 bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd is vastgesteld op 35 tot 45%.
1.5.
Het hiertegen gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 8 augustus 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv besloten dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 augustus 2010 en 14 juli 2012 niet wordt verhoogd. Voorts heeft het Uwv bij het bestreden besluit de WGA-uitkering van appellante per
29 augustus 2013 beëindigd omdat appellante op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarbij is verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
25 juni 2013. De conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn inzichtelijk en er is geen aanleiding voor het oordeel dat die arts de beperkingen van appellante heeft onderschat. Hij heeft daarbij voldoende gemotiveerd waarom ook de brief van de behandelend psycholoog geen aanleiding geeft meer beperkingen aan te nemen. De stelling van appellante dat zij last heeft van gevoelige luchtwegen en eczeem wordt niet met (medische) stukken onderbouwd. Uitgaande van de juistheid van de FML en de gegeven toelichting door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn de geselecteerde functies medisch geschikt voor appellante. Het bestreden besluit berust daarom ook op deugdelijke arbeidskundige grondslag.
3. In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat haar WGA-uitkering niet per
29 augustus 2013 had mogen worden ingetrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op grond van de brief van de behandelend psycholoog meer beperkingen moeten aannemen. Voorts passeert de rechtbank ten onrechte de stelling van appellante dat zij gevoelige luchtwegen en eczeem heeft.
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5.1.
Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
5.2.
De gronden waarop het hoger beroep berust zijn in de kern gelijk aan de gronden die appellante in beroep naar voren heeft gebracht.
5.3.
De rechtbank stelt terecht vast dat er geen reden bestaat de uitkomsten van het medisch onderzoek en het daarop gebaseerde oordeel van de verzekeringsartsen over de belastbaarheid van appellante voor onjuist te houden. Bij het vormen van zijn oordeel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkens zijn rapport van 25 juni 2013 de beschikking gehad over de - ook door hem tijdens de bezwaarprocedure ingewonnen - informatie van de behandelend sector van appellante. Die gegevens, dossierstudie en eigen onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gaven hem reden de FML aan te passen onder meer in verband met de bij appellante aanwezige psychische klachten. Met zijn rapport van
1 augustus 2013 motiveert die verzekeringsarts inzichtelijk en overtuigend waarom hij - mede op grond van de houding en reactie van appellante tijdens zijn onderzoek - geen reden ziet om naar aanleiding van de informatie van de behandelend psycholoog tot een ander oordeel te komen. Die psycholoog gaat blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van haar hand - anders dan in haar brief van 30 juli 2013 - ook steeds uit van een bij appellante bestaande matige, recidiverende depressieve stoornis. Met de uit die diagnose voortvloeiende beperkingen is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van de FML rekening gehouden. Voormelde brief van de behandelend psycholoog van
30 juli 2013 kan gelet op het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bezien in samenhang met de overige gedingstukken niet die waarde worden toegekend welke appellante daaraan gehecht wenst te zien.
5.4.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de veelheid aan (medische) stukken in objectieve zin geen blijk geeft van het bestaan bij appellante van geïrriteerde luchtwegen of van eczeem. Terecht overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen zoals die zijn weergegeven in de FML van 25 juni 2013. Ook wat betreft de allergie voor huisstofmijt zijn in de FML beperkingen opgenomen. In hoger beroep heeft appellante geen gronden aangevoerd of medische gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
5.5.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 25 juni 2013 is de rechtbank terecht van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde voorbeeldfuncties voor appellante medisch gezien geschikt zijn. De arbeidsdeskundig bezwaar en beroep heeft
- ook in acht genomen de allergie van appellante voor huisstofmijt - op inzichtelijke en toereikende wijze gemotiveerd waarom de voorbeeldfuncties - met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen - voor appellante geschikt zijn.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2015.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) D. van Wijk

NK