ECLI:NL:CRVB:2015:4505

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2015
Publicatiedatum
11 december 2015
Zaaknummer
14/3962 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geschiktheid voor loongerelateerde WGA-uitkering ondanks medische beperkingen

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 67,89%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna appellant in beroep ging bij de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen van appellant onvoldoende aanleiding boden om het standpunt van de verzekeringsarts voor onjuist te houden.

In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat hij niet in staat was de voorgestelde functies te vervullen. Hij verzocht subsidiair om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep een herhaling was van eerdere stellingen en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts had een uitgebreid onderzoek verricht, waarbij ook neuropsychologische en fysieke belastbaarheid waren betrokken.

De Raad vond geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts te verwerpen of om een deskundige te benoemen. De aanvullende stukken in hoger beroep bevatten geen nieuwe medische gegevens die tot een ander oordeel leiden. De Raad bevestigde dat de voorgestelde functies medisch geschikt zijn voor appellant en dat de signaleringen van overschrijding van belastbaarheid niet in de weg staan aan die geschiktheid.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.

Uitspraak

14/3962 WIA
Datum uitspraak: 4 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
4 juni 2014, 14/652 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door A. Vlamincks en M.C.O.A. Portegies. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 1 augustus 2013 vastgesteld dat voor appellant per 13 augustus 2013 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 67,89%.
1.2.
Het tegen het besluit van 1 augustus 2013 ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 9 januari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De rechtbank overweegt daarbij dat de door appellant ervaren klachten en cognitieve beperkingen in het neuropsychologisch onderzoek slechts wisselend konden worden geobjectiveerd. Gelet op de voorhanden medische gegevens is er uit cardiologisch of psychiatrisch oogpunt evenmin sprake van medisch objectiveerbare afwijkingen die de door appellant ervaren klachten ten volle kunnen verklaren. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen zijn de voorgehouden functies voor appellant geschikt te achten. De in die functies voorkomende signaleringen zijn door het Uwv voldoende gemotiveerd.
3. In hoger beroep voert appellant aan dat de bij hem bestaande beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat hij niet in staat is de functies te vervullen. De overgelegde stukken geven in voldoende mate een medisch objectiveerbare onderbouwing voor de stelling dat appellant niet geschikt is om loonvormende arbeid te verrichten gedurende een volle werkweek. Subsidiair verzoekt appellant een onafhankelijk deskundige te benoemen.
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5.1.
De Raad oordeelt als volgt.
5.2.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van hetgeen door hem in beroep naar voren is gebracht.
5.3.
De rechtbank oordeelt terecht dat er onvoldoende aanleiding bestaat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Blijkens zijn rapport van
5 december 2013 heeft die arts de uitkomsten van het neuropsychologische onderzoek en de fysieke belastbaarheid van appellant betrokken bij zijn beoordeling en bij het vaststellen van de bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid. Uit dat rapport blijkt voorts dat de verzekeringsarts zijn conclusie mede heeft gebaseerd op eigen onderzoek en de veelheid aan informatie van de behandelend sector. Die laatste informatie bracht de verzekeringsarts bezwaar en beroep ertoe de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
12 juli 2013 in verband met de bij appellant bestaande COPD aan te vullen in die zin dat appellant ook beperkt wordt geacht wat betreft blootstelling aan prikkelende gassen, dampen of stof. Hetgeen appellant op het medische vlak naar voren heeft gebracht geeft geen aanwijzingen voor het standpunt dat het Uwv - ook wat betreft het aantal uren dat appellant zou kunnen werken - verdergaande beperkingen had moeten aannemen dan vermeld in de FML van 3 januari 2014. Voor het benoemen van een deskundige is geen aanleiding.
5.4.
De in hoger beroep overgelegde nadere stukken leiden evenmin tot een ander oordeel. Verscheidene van die stukken bevinden zich reeds in het dossier of bevatten geen nieuwe medische gegevens. De inhoud van de overige stukken ziet op een tijdstip ruim na de hier in geding zijnde datum.
5.5.
Uitgaande van de juistheid van de opgestelde FML wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de voorgehouden functies voor appellant medisch geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij - op bepaalde punten na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep - genoegzaam gemotiveerd waarom de signaleringen van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellant aan de geschiktheid van die functies niet in de weg staan.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2015.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) D. van Wijk

NK