ECLI:NL:CRVB:2015:4505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor loongerelateerde WGA-uitkering ondanks medische beperkingen
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 67,89%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna appellant in beroep ging bij de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen van appellant onvoldoende aanleiding boden om het standpunt van de verzekeringsarts voor onjuist te houden.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat hij niet in staat was de voorgestelde functies te vervullen. Hij verzocht subsidiair om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep een herhaling was van eerdere stellingen en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts had een uitgebreid onderzoek verricht, waarbij ook neuropsychologische en fysieke belastbaarheid waren betrokken.
De Raad vond geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsarts te verwerpen of om een deskundige te benoemen. De aanvullende stukken in hoger beroep bevatten geen nieuwe medische gegevens die tot een ander oordeel leiden. De Raad bevestigde dat de voorgestelde functies medisch geschikt zijn voor appellant en dat de signaleringen van overschrijding van belastbaarheid niet in de weg staan aan die geschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.