ECLI:NL:CRVB:2015:4584
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in WWB-zaak
Op 17 november 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2014. Het hoger beroep betrof een zaak over de Wet werk en bijstand (WWB).
Appellant, woonachtig te een woonplaats, is niet verschenen tijdens de zitting. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht werd vertegenwoordigd door mr. P.C. van der Voorn. De Raad stelde vast dat appellant in het hoger beroepschrift de beroepsgronden afhankelijk had gesteld van het overleggen van objectieve en verifieerbare documenten over zijn levensonderhoud in de periode van 25 maart 2013 tot 15 mei 2014.
Omdat deze documenten niet waren overgelegd, oordeelde de Raad dat appellant geen gronden van beroep had ingediend. Ook werden geen andere gronden aangevoerd. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden van beroep.