ECLI:NL:CRVB:2015:4584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2015
Publicatiedatum
16 december 2015
Zaaknummer
15-741 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in WWB-zaak

Op 17 november 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2014. Het hoger beroep betrof een zaak over de Wet werk en bijstand (WWB).

Appellant, woonachtig te een woonplaats, is niet verschenen tijdens de zitting. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht werd vertegenwoordigd door mr. P.C. van der Voorn. De Raad stelde vast dat appellant in het hoger beroepschrift de beroepsgronden afhankelijk had gesteld van het overleggen van objectieve en verifieerbare documenten over zijn levensonderhoud in de periode van 25 maart 2013 tot 15 mei 2014.

Omdat deze documenten niet waren overgelegd, oordeelde de Raad dat appellant geen gronden van beroep had ingediend. Ook werden geen andere gronden aangevoerd. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden van beroep.

Uitspraak

15/741 WWB-PV
Datum uitspraak: 17 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2014, 14/4672 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Zitting heeft: W.H. Bel
Griffier: R.G. van den Berg
Ter zitting van 17 november 2015 heeft het college zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C. van der Voorn. Appellant is niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep te bevatten. Dit geldt ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb onverkort voor het hogerberoepschrift.
De Raad stelt vast dat appellant in het ingediende hoger beroepschrift de beroepsgronden afhankelijk heeft gesteld van het door hem in geding brengen van objectieve en verifieerbare documenten, die inzicht verschaffen in de wijze waarop appellant in de periode van
25 maart 2013 tot 15 mei 2014 heeft voorzien in zijn levensonderhoud. Nu deze stukken niet zijn overgelegd, is de Raad van oordeel dat appellant geen gronden van beroep heeft ingediend. Ook voor het overige heeft appellant geen gronden aangevoerd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.G. van den Berg (getekend) W.H. Bel
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep

HD