Betrokkene vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan zelfstandig te wonen in een appartement met begeleiding. Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland kende bijstand toe volgens de norm voor een alleenstaande ouder die in een inrichting verblijft. Dit besluit werd aangevochten en de rechtbank oordeelde dat betrokkene zelfstandig woont en recht heeft op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder.
Het college ging in hoger beroep en stelde dat de woonvorm van betrokkene moest worden aangemerkt als verblijf in een inrichting, omdat er begeleiding mogelijk is gedurende meer dan de helft van het etmaal. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het appartement zelfstandige huisvesting betreft, omdat betrokkene een eigen woonruimte huurt, zelf huur en gebruikskosten betaalt en de begeleiding geen afbreuk doet aan de zelfstandigheid.
De Raad benadrukte dat het onderscheid tussen zelfstandige huisvesting en verblijf in een inrichting gebaseerd is op het feit of sprake is van opvangcentra of tehuizen waar slaapgelegenheid en begeleiding worden geboden. Omdat betrokkene zelfstandig woont en de begeleiding niet leidt tot verblijf in een inrichting, is het bestreden besluit onjuist. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.