ECLI:NL:CRVB:2015:4663

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2015
Publicatiedatum
18 december 2015
Zaaknummer
14/2249 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens onjuiste faxontvangst bij UWV

Appellante maakte bezwaar tegen een loonsanctie opgelegd aan haar werkgever door het UWV. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevatte. Appellante probeerde deze gronden per fax op 19 maart 2013 in te dienen, maar stuurde deze naar een verkeerd faxnummer binnen het UWV.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het UWV ontkende de fax te hebben ontvangen en het verzenden naar het verkeerde faxnummer voor rekening van appellante kwam. In hoger beroep stelde appellante dat het faxnummer weliswaar anders was, maar nog steeds behoorde tot het UWV en dat de fax daardoor door de ontvangende afdeling had moeten worden doorgestuurd.

De Raad oordeelde dat hoewel appellante aannemelijk maakte dat de fax is verzonden, het UWV op niet ongeloofwaardige wijze ontkende deze te hebben ontvangen. Het faxnummer was van een afdeling die geen ontvangstregistratie bijhield en het UWV kon niet vaststellen dat de fax was ontvangen. Websites die een ander faxnummer vermeldden dan het UWV zelf, konden niet tegen het UWV worden gebruikt.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante is niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden niet tijdig bij de juiste UWV-afdeling zijn ontvangen.

Uitspraak

14/2249 WIA
Datum uitspraak: 14 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2014, 13/2214 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2015. Voor appellante is verschenen mr. J.M. Niemer, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 24 december 2012 is de aan appellantes werkgever opgelegde loonsanctie bekort tot 18 december 2012. Appellante heeft bij brief van gelijke datum een afschrift van dat besluit ontvangen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 27 maart 2013 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevatte.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de gronden van bezwaar bij brief van 19 maart 2013 naar een onjuist faxnummer van het Uwv zijn gestuurd en dat het Uwv heeft ontkend de gronden van bezwaar op dat faxnummer te hebben ontvangen. Het niet slagen van het verzenden van een bericht per telefax komt voor rekening van de gemachtigde van appellante.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de brief van 19 maart 2013 weliswaar naar een ander faxnummer van het Uwv is verzonden, maar dat het wel een faxnummer van het Uwv betreft zoals dat op internet wordt vermeld. De afdeling van het Uwv waartoe het faxnummer behoorde had de brief van 19 maart 2013 naar de juiste afdeling (bezwaar en beroep) van het Uwv moeten doorsturen. Uit het door appellante overgelegde faxjournaal blijkt dat de brief daadwerkelijk is verzonden, zodat de gronden tijdig bij het Uwv zijn ingediend.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het niet uiterlijk op 19 maart 2013 een fax van appellante met bezwaargronden heeft ontvangen, zodat van doorzending aan de juiste afdeling geen sprake kon zijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb bepaalt dat, indien niet voldaan is aan artikel 6:5, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.2.
Vaststaat dat het bezwaarschrift van 2 februari 2013 niet de gronden van het bezwaar bevat en dat appellante bij brief van 19 februari 2013 in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het bezwaar alsnog in te dienen. Daarbij heeft het Uwv een termijn van vier weken gesteld, welke termijn eindigde op 19 maart 2013. In die brief is het faxnummer van de afdeling Bezwaar en Beroep te Amsterdam vermeld.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6996) is het indienen van gronden door middel van een faxbericht op zichzelf aan te merken als een toelaatbare wijze van verzending. De aan deze wijze van verzending verbonden risico’s dienen voor rekening van de verzender te komen. Dat brengt mee dat, als door de geadresseerde wordt gesteld dat het verzonden faxbericht niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Indien de verzender de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst van het faxbericht op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.
4.4.
Appellante heeft de verzending van de gronden per fax op 19 maart 2013 aan een nummer behorend bij het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt.
4.5.
Vaststaat dat de bewuste fax niet door appellante is verzonden naar het faxnummer van de afdeling Bezwaar en Beroep van het Uwv, maar naar een faxnummer van de afdeling PPS AG op het hoofdkantoor van het Uwv aan de La Guardiaweg te Amsterdam. Het Uwv heeft verklaard dat van het faxnummer van de afdeling PPS AG geen ontvangstregistratie werd en wordt bijgehouden. Dit is niet noodzakelijk omdat het faxnummer niet veelvuldig wordt gebruikt. Dit komt de Raad aannemelijk voor. Ook uit navraag door het Uwv bij telefoonbeheerder British Telecom blijkt dat ten aanzien van het faxnummer van de afdeling PPS AG de inkomende en uitgaande faxen van medio 19 maart 2013 niet meer te achterhalen zijn. Nu het Uwv ook niet anderszins heeft kunnen vaststellen dat er op 19 maart 2013 bij zijn organisatie een fax van appellante is ontvangen, heeft het Uwv op niet ongeloofwaardige wijze ontkend dat het het faxbericht van 19 maart 2013 heeft ontvangen.
4.6.
In aanmerking wordt genomen dat de ontvangstbevestiging van 6 februari 2013 van het bezwaarschrift en de brief van 19 februari 2013 in de kop het faxnummer van de afdeling Bezwaar en Beroep vermelden. Namens appellante is een uitdraai van Google verstrekt, waarop een aantal websites staat die een ander faxnummer van het Uwv - overigens niet van de afdeling Bezwaar en Beroep - vermelden dan het door het Uwv op de brieven van
6 februari 2013 en 19 februari 2013 vermelde faxnummer. Dit zijn echter geen websites van het Uwv zelf en de informatie op die websites kan het Uwv niet worden tegengeworpen.
4.7.
Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2015.
(getekend) P.H. Banda
(getekend) I. Mehagnoul

AP