De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het UWV inzake een korting op het Spaanse pensioen van appellant over de periode van 1 augustus 2008 tot 1 juli 2010. Na een tussenuitspraak van de Raad is het UWV verplicht om de gebreken in het oorspronkelijke besluit te herstellen. Dit is op 30 september 2015 gebeurd door het UWV, waarbij de korting ongedaan werd gemaakt en het terug te vorderen bedrag kwam te vervallen.
Appellant heeft zich met het nieuwe besluit kunnen verenigen, maar verzocht om een kostenvergoeding voor de gemaakte kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het UWV stelde dat de bezwaarschriften samenhangend waren en dat vergoeding op basis van twee punten toereikend was.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat er geen belang meer is bij de beoordeling van het hoger beroep. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op in totaal €3.185,-, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht.